Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde en het vierde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
5.Beslissing
22 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een verkrachting van een 12-jarige medebewoonster in een instelling voor jongeren met gedragsproblemen door een 14-jarige verdachte. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken, maar het hof sprak hem in hoger beroep schuldig uit op basis van verklaringen van het slachtoffer en ondersteunend DNA-bewijs.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte een verklaring van het slachtoffer, die toen nog geen 16 jaar was, als bewijs gebruikte zonder de vereiste bijzondere motivering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende redenen had gegeven voor het gebruik van deze verklaring, mede vanwege de consistentie van de verklaringen en de bevestiging door DNA-onderzoek en getuigenverklaringen.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot benoeming van een rechtspsycholoog en tegen de bewezenverklaring zelf. De Hoge Raad concludeerde dat het hof zijn selectie- en waarderingsvrijheid correct had uitgeoefend en dat het bewijs toereikend was gemotiveerd.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof Den Haag van 17 augustus 2023 bleef in stand. De uitspraak bevestigt de zorgvuldige toepassing van bewijsregels bij minderjarige getuigen en het belang van DNA-ondersteuning in zedenzaken.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt bewezenverklaring verkrachting minderjarige.