Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd in 2017 onherroepelijk veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, waarvan de tenuitvoerlegging in augustus 2017 begon. Na een wetswijziging in 2020 werd de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) verleend met bijzondere voorwaarden, waaronder verplichte klinische opname in een zorginstelling. De verdachte verbleef 275 dagen in klinische opname en werd later gedeeltelijk herroepen en in detentie genomen.
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de gedwongen klinische opname als vrijheidsbeneming moet worden beschouwd en dat de totale duur van vrijheidsbeneming (gevangenis plus kliniek) niet de opgelegde straf mag overschrijden. Hierdoor wees het hof de vordering tot herroeping van de VI af, omdat toewijzing zou leiden tot een langere vrijheidsbeneming dan de vijf jaar straf.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 2021:850), waarin is bepaald dat bijzondere voorwaarden aan verlengde proeftijd onverenigbaar kunnen zijn met artikel 7 EVRM Pro indien zij leiden tot een langere feitelijke vrijheidsbeneming dan de opgelegde straf. Het cassatiemiddel faalt, omdat geen onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende motivering is vastgesteld en de klinische opname terecht als vrijheidsbeneming is aangemerkt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.