ECLI:NL:HR:2024:1517

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2024
Publicatiedatum
18 oktober 2024
Zaaknummer
23/00136
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326.1 SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak oplichting door aannemen valse hoedanigheid bevestigd, taakstraf verminderd

De zaak betreft een verdachte die werd verdacht van oplichting door zich meermalen voor te doen als medewerker van een vaste klant bij het ophalen van goederen. De rechtbank sprak de verdachte vrij, maar het hof verklaarde hem schuldig aan het aannemen van een valse hoedanigheid. De verdachte stelde cassatie in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het cassatiemiddel terecht klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte zich expliciet als medewerker van de vaste klant voordeed, dit niet tot cassatie leidt. Het hof mocht afleiden dat de verdachte zich voordeed als een persoon die namens de klant gerechtigd was goederen op te halen, wat voldoende is voor bewezenverklaring.

De Hoge Raad bevestigde dat het aannemen van een valse hoedanigheid niet afhankelijk is van het opgeven van een valse naam, maar dat het gaat om het oproepen van een onjuiste voorstelling van zaken met het doel daarvan misbruik te maken. De verdachte heeft doelbewust associatie met een betrouwbare klant opgeroepen, wat als aannemen van valse hoedanigheid kwalificeert.

Daarnaast werd het cassatiemiddel gegrond verklaard dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren naar 95 uren, met een subsidiaire hechtenis van 47 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor aannemen valse hoedanigheid en vermindert taakstraf wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00136
Datum19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 januari 2023, nummer 22-003634-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben P. van Dongen en M. Rasterhoff, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewijsvoering van de bewezenverklaarde oplichting.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 tot en met 2.3 en 3.2 tot en met 3.6.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 95 uren beloopt, subsidiair 47 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 november 2024.