Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 december 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging door het gooien van vuurwerk naar politieagenten tijdens coronarellen en wederspannigheid. Het hof Den Haag oordeelde eerder dat er sprake was van vormverzuim omdat de camerabeelden niet meer beschikbaar waren, maar dat dit niet leidde tot aantasting van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De verdachte stelde in cassatie dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het ontbreken van de camerabeelden, gebaseerd op artikel 359a Sv. De Hoge Raad heeft deze klacht beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest kan leiden. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering nader toe te lichten, omdat het oordeel geen belang heeft voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad heeft het beroep van de verdachte verworpen, waarmee het arrest van het hof Den Haag in stand blijft. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare zitting op 3 december 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor openlijke geweldpleging en wederspannigheid blijft in stand.