Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
5 november 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van het beschikbaar stellen en verhandelen van een grote hoeveelheid inloggegevens, strafbaar gesteld onder artikel 139d lid 2 sub b van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk.
De verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, behoudens de strafoplegging.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde straf tot zeventien maanden en drie weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het arrest van het hof werd verder in stand gelaten.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden en drie weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.