Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
5 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, die werd verdacht van medeplegen van uitkeringsfraude en witwassen.
De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het hofuitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hof konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering daarvan te geven.
Ambtshalve constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van €144.320,94 naar €139.320.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofuitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, verminderde het bedrag en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Borgers en raadsheren Buruma en Kuijer op 5 november 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €139.320 en verwerpt het beroep voor het overige.