ECLI:NL:HR:2024:1561

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2024
Publicatiedatum
31 oktober 2024
Zaaknummer
22/02066
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 3.B OpiumwetArt. 11.3 Opiumwet
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen in zaak beroepsmatige hennepteelt met strafvermindering

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt in een door verdachte gehuurde woning. Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 113 dagen. Namens verdachte werd cassatie ingesteld met klachten over het bewijs van het beroepsmatige karakter van de hennepteelt en de innerlijke tegenstrijdigheid in de bewezenverklaring en strafmotivering.

De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden en dat nadere motivering niet vereist is omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep ruim is overschreden.

Gezien de relatief korte duur van de opgelegde straf en de mate van termijnoverschrijding acht de Hoge Raad een ambtshalve strafvermindering passend, zonder andere rechtsgevolgen te verbinden. Het cassatieberoep wordt verder verworpen. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare zitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen met ambtshalve vermindering van de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02066
Datum19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juni 2022, nummer 20-001293-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 113 dagen en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 november 2024.