Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
19 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting, meermalen gepleegd, in strijd met artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Wel heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde geldboete van € 3.000 naar € 2.850, respectievelijk de vervangende hechtenis van 40 naar 38 dagen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de straf, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd naar € 2.850 en de vervangende hechtenis naar 38 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.