Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit handelen in verdovende middelen en witwassen. Het hof maakte gebruik van de methode van eenvoudige kasopstelling conform artikel 36e lid 3 Sr om de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen.
De betrokkene voerde in cassatie onder meer aan dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onbegrijpelijk was, met name met betrekking tot de post 'extra (contante) uitgaven voor voeding'. Tevens stelde hij dat de aanschafwaarde van de aan het verkeer onttrokken verdovende middelen in mindering gebracht moest worden op de betalingsverplichting.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Op grond van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie hoefde de Hoge Raad geen nadere motivering te geven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.