Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor eenvoudige belediging van politieambtenaren door het roepen van “ACAB” tijdens een aanhouding bij het Damprotest. De verdediging voerde onder meer aan dat de aanhouding en het gebruik van transportboeien niet rechtmatig waren en dat sprake was van een beroep op vrijheid van expressie zoals beschermd onder artikel 10 EVRM Pro.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Er is geen noodzaak tot motivering omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Tevens heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar gezien de opgelegde geldboete van €650, waarvan €500 voorwaardelijk, acht de Hoge Raad dit niet aanleiding voor verdere rechtsgevolgen.
Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 12 november 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor eenvoudige belediging blijft gehandhaafd.