Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 mei 2022 betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Hoewel het beroep is ingesteld, zijn er geen cassatiemiddelen door de advocaat van de betrokkene ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat het ontbreken van tijdige indiening van cassatiemiddelen betekent dat het beroep niet in behandeling kan worden genomen op grond van artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
Deze beslissing betreft een zaak van profijtontneming in samenhang met witwassen, waarbij de betrokkene geen middelen heeft ingediend en niet-ontvankelijk is verklaard. Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers en raadsheren Kuijer en Caminada op 12 november 2024.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.