Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een autodiefstalzaak. De verdachte werd veroordeeld voor autodiefstal, en het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte zelf. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde de ingediende klachten en concludeerde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Vervolgens werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, vond de Hoge Raad dat gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van vijftig dagen geen aanleiding bestond om aan deze overschrijding rechtsgevolgen te verbinden. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter, met raadsheren Kuijer en Dalebout, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Schnetz, tijdens een openbare terechtzitting op 12 november 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn; opgelegde straf van vijftig dagen gevangenisstraf blijft gehandhaafd.