ECLI:NL:HR:2024:1643

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
23/02364
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 440 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over gijzeling en immateriële schade bij verkeersongeval jeugdige verdachte

De zaak betreft een jeugdige verdachte die op 24 september 2020 een verkeersongeval veroorzaakte door met hoge snelheid aan de verkeerde kant van de weg te rijden, waardoor een 12-jarige passagier zwaar lichamelijk letsel opliep. Het hof had een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met een gijzelingstermijn van 90 dagen, maar ook overwogen dat de verdachte minderjarig was ten tijde van het feit en het aantal gijzingsdagen op nul zou moeten stellen.

In cassatie klaagde de verdachte over deze discrepantie tussen dictum en overwegingen van het hof, en de benadeelde partij over de gedeeltelijke afwijzing van haar vordering tot vergoeding van immateriële schade. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het hofarrest voor zover het de gijzingsduur en de afwijzing van immateriële schade betreft.

De Hoge Raad oordeelde dat het arrest van het hof innerlijk tegenstrijdig is en vernietigde het arrest voor de genoemde punten. De Hoge Raad bepaalde zelf de gijzingsduur op nul dagen en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het afgewezen deel van de immateriële schadevordering, omdat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom dit deel ongegrond was.

Verder constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar zag geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 12 november 2024.

Uitkomst: Hoge Raad bepaalt gijzingsduur op nul dagen en verklaart benadeelde niet-ontvankelijk voor afgewezen immateriële schadevordering.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02364 J
Datum12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-001700-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft M.A.W. Ketelaars, advocaat in Helmond, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de duur van de gijzeling in het kader van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel op ten hoogste 90 dagen is bepaald en voor zover de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] partieel is afgewezen, te dien aanzien tot zodanige op artikel 440 lid 2 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregel de duur van de gijzeling heeft bepaald op negentig dagen, terwijl het hof heeft overwogen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde minderjarig was en dat het daarom het aantal dagen gijzeling op nul stelt.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof in zoverre vernietigen en zelf de duur van de gijzeling bepalen op nul dagen.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
4.1
Het cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke afwijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor zover deze betrekking heeft op immateriële schade.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 24 september 2020 te Helmond als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, Hermelijnstraat, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg, Dasstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, met hoge snelheid die kruising te naderen en op te rijden en onvoldoende rechts te houden, waardoor op die kruising een botsing is ontstaan met een personenauto, waardoor een ander (genaamd [benadeelde] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een beenfractuur werd toegebracht.”
4.3
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4. De Hoge Raad zal de uitspraak ook in zoverre vernietigen, de zaak zelf afdoen en de benadeelde partij ten aanzien van het afgewezen deel van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [benadeelde] voor zover die vordering is afgewezen en wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dit slachtoffer;
- verklaart de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk;
- bepaalt de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel op nul dagen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2024.