Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
12 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake poging tot kraken, strafbaar gesteld in artikel 138a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde onder meer dat dit wetsartikel onverbindend verklaard moest worden wegens strijd met internationale verdragsbepalingen, zoals artikel 11 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en artikel 21 van Pro de Maastricht Guidelines.
De Hoge Raad beoordeelde deze klachten en concludeerde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat artikel 11 IVESCR Pro niet kan worden aangemerkt als een voor iedereen verbindende bepaling in de zin van de Grondwet, en dat het cassatieberoep daarom niet tot vernietiging van het hofarrest kan leiden. De Hoge Raad hoefde zijn oordeel niet nader te motiveren, omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar achtte dit gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken niet aanleiding tot verdere rechtsgevolgen. Het beroep werd dan ook verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 12 november 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken.