ECLI:NL:HR:2024:1649

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
22/03443
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138a SrArt. 11 IVESCRArt. 21 Maastricht GuidelinesArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in poging tot kraken zaak wegens niet-schending recht

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake poging tot kraken, strafbaar gesteld in artikel 138a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde onder meer dat dit wetsartikel onverbindend verklaard moest worden wegens strijd met internationale verdragsbepalingen, zoals artikel 11 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en artikel 21 van Pro de Maastricht Guidelines.

De Hoge Raad beoordeelde deze klachten en concludeerde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat artikel 11 IVESCR Pro niet kan worden aangemerkt als een voor iedereen verbindende bepaling in de zin van de Grondwet, en dat het cassatieberoep daarom niet tot vernietiging van het hofarrest kan leiden. De Hoge Raad hoefde zijn oordeel niet nader te motiveren, omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar achtte dit gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken niet aanleiding tot verdere rechtsgevolgen. Het beroep werd dan ook verworpen.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 12 november 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03443
Datum12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 september 2022, nummer 22-002854-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E. Tamas, advocaat in Den Haag, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2024.