Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
19 november 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 19 november 2024 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 mei 2022. De zaak betreft medeplichtigheid aan medeplegen van gijzeling door het ter beschikking stellen van de woning van de verdachte. De verdachte voerde aan dat hij niet wist wat er in zijn woning gebeurde en betwistte het opzet en de behulpzaamheid.
De Hoge Raad heeft de klachten over het bewijs en de inhoudelijke beoordeling van het hof niet ontvankelijk verklaard voor vernietiging, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Wel is geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden en de cassatieprocedure meer dan twee jaar duurde.
Als gevolg hiervan heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd voor wat betreft de strafmaat en de opgelegde gevangenisstraf verminderd met tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep is voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot negen maanden en drie weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens overschrijding van de redelijke termijn.