ECLI:NL:HR:2024:1659
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt matiging proceskostenvergoeding wegens punt van ondergeschikt belang
Belanghebbende, een B.V., was in geschil met het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant over een aanslag watersysteemheffing voor 2020. Na uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant en het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, stelde belanghebbende beroep in cassatie in tegen het hofarrest.
Het hof had de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €1.750, maar deze gematigd tot €437,50 vanwege het feit dat belanghebbende slechts in het gelijk was gesteld op een punt van ondergeschikt belang, namelijk de vergoeding van wettelijke rente. De Hoge Raad oordeelde dat deze matiging terecht was en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven.
De Hoge Raad hoefde de motivering van het hof niet te toetsen, omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de matiging van de proceskostenvergoeding bevestigd.