Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
26 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot diefstal met braak. De verdediging voerde onder meer aan dat sprake was van onrechtmatige staandehouding en doorzoeking van de auto, en dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met de verbeurdverklaring van de auto.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Het hof had terecht geoordeeld dat de auto, met een waarde van € 13.289, was gebruikt bij het begaan van het bewezenverklaarde feit, wat de verbeurdverklaring rechtvaardigde.
Wel erkent de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden vanwege te late aanlevering van stukken door het hof en de lange duur van de procedure. Gezien de geringe straf van één maand gevangenisstraf ziet de Hoge Raad hiervan af om verdere rechtsgevolgen te verbinden.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot één maand gevangenisstraf met verbeurdverklaring van de auto wordt bevestigd.