ECLI:NL:HR:2024:1689

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
23/02338
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 62 RVV 1990Art. 36e lid 2 sub b SvArt. 408 lid 2 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling in verkeersovertredingszaak

In deze cassatieprocedure stond de vraag centraal of het gerechtshof terecht had geoordeeld dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De zaak betrof een verkeersovertreding wegens te hard rijden waarbij een geldboete van € 800 was opgelegd.

De advocaat-generaal stelde dat de redelijke termijn in feitelijke aanleg wel was overschreden, omdat de verstekmededeling niet rechtsgeldig was betekend. Meerdere pogingen om de mededeling uit te reiken op het BRP-adres van de verdachte waren mislukt, waarna de mededeling aan de autoriteit van uitgifte werd gegeven zonder dat een afschrift naar het BRP-adres was gezonden, wat vereist is volgens artikel 36e lid 2 sub b Sv.

De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden. Gezien de relatief lage geldboete zag de Hoge Raad echter geen aanleiding om aan dit oordeel een ander rechtsgevolg te verbinden. Het beroep van de verdachte werd uiteindelijk verworpen.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte betekening van processtukken en de toepassing van redelijke termijnen in strafzaken, ook bij relatief lichte overtredingen. De procedurele waarborgen van artikel 6 EVRM Pro blijven daarmee gewaarborgd, maar de sancties bij overschrijding kunnen proportioneel worden toegepast.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden maar wijzigt de opgelegde geldboete niet en verwerpt het beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02338
Datum26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juni 2023, nummer 21-001416-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J. Weldam, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet begrijpelijk is.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.1 tot en met 6.10.
3.3
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in feitelijke aanleg is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 800, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 november 2024.