Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 november 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging gevraagd voor betrokkene voor zes maanden. Betrokkene was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling, waarop de rechtbank oordeelde dat zij niet bereid was zich te laten horen en verleende de zorgmachtiging.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank onvoldoende heeft meegewogen dat betrokkene de dag voor de zitting aan haar advocaat had laten weten zelf het woord te willen voeren, en dat haar afwezigheid mogelijk te verklaren was door een gebroken enkel, zoals verklaard door haar moeder. Tevens was onduidelijk of betrokkene tijdens huisbezoeken van de psychiater thuis was, waardoor het oordeel over haar onbereikbaarheid onvoldoende onderbouwd is.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter bij een zorgmachtiging de bereidheid van betrokkene om zich te laten horen zorgvuldig moet onderzoeken en motiveren. Omdat de rechtbank dit niet toereikend heeft gedaan, vernietigt de Hoge Raad de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling.
De uitspraak bevestigt het belang van hoor en wederhoor in procedures waarbij verplichte zorg wordt opgelegd, en stelt duidelijke eisen aan de motivering van het oordeel over de bereidheid van betrokkene om gehoord te worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering over de bereidheid van betrokkene om zich te laten horen en wijst de zaak terug naar de rechtbank.