Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
29 november 2024.
Hoge Raad
Bentja B.V. exploiteerde sinds 1996 een franchisezaak van Leen Bakker Nederland B.V. onder een franchiseovereenkomst die sinds 2006 telkens voor vijf jaar werd verlengd. Daarnaast was er een onderhuurovereenkomst voor bedrijfsruimte van tien jaar, lopend van 2011 tot 2021. In 2020 zegde Leen Bakker de franchise- en onderhuurovereenkomst op vanwege bedrijfseconomische redenen, waarna Bentja zowel primair als subsidiair diverse verklaringen voor recht en schadevergoeding vorderde.
De kantonrechter wees de vorderingen van Bentja af en veroordeelde haar in proceskosten. Het hof vernietigde dit vonnis deels en veroordeelde Leen Bakker tot betaling van een schadevergoeding aan Bentja, maar handhaafde de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De Hoge Raad oordeelde dat het onbegrijpelijk was dat het hof Bentja in eerste aanleg in het ongelijk stelde en haar in proceskosten veroordeelde, terwijl in hoger beroep de proceskosten werden gecompenseerd.
De Hoge Raad vernietigde daarom de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Tevens stelde de Hoge Raad de beëindigingsdatum van de onderhuurovereenkomst en ontruimingsdatum vast op 31 december 2024, en veroordeelde Leen Bakker tot terugbetaling van de door Bentja betaalde proceskosten met wettelijke rente. Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van Leen Bakker werd niet behandeld omdat daaraan geen voorwaarden waren voldaan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, compenseert de kosten, stelt de beëindigingsdatum van de onderhuurovereenkomst vast op 31 december 2024 en veroordeelt Leen Bakker tot terugbetaling van proceskosten aan Bentja.