Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
29 november 2024.
Hoge Raad
Dampie B.V. en Leen Bakker Nederland B.V. zijn partijen in een geschil over de opzegging van een franchiseovereenkomst en een onderhuurovereenkomst. Leen Bakker zegde beide overeenkomsten op per 31 december 2022, waarna Dampie zich hiertegen verzette en onder meer een vergoeding vorderde.
De kantonrechter wees de vorderingen van Dampie af en veroordeelde haar in de proceskosten. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter voor zover het ging om de vergoeding en veroordeelde Leen Bakker tot betaling van een schadevergoeding, maar bekrachtigde de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
De Hoge Raad oordeelt dat het onbegrijpelijk is dat het hof Dampie in eerste aanleg in de proceskosten veroordeelde terwijl het in hoger beroep tot compensatie kwam. Daarom vernietigt de Hoge Raad de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en compenseert deze, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Tevens stelt de Hoge Raad de beëindigingsdatum van de onderhuurovereenkomst en ontruimingsdatum vast op 31 december 2024, aangezien de eerdere datum is verstreken.
Het incidentele cassatieberoep van Leen Bakker wordt verworpen. De Hoge Raad veroordeelt Leen Bakker tot terugbetaling van de door Dampie betaalde proceskosten vermeerderd met wettelijke rente en tot betaling van de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, compenseert de kosten en stelt de beëindigingsdatum van de onderhuurovereenkomst vast op 31 december 2024.