Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 december 2024.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om het cassatieberoep van een verdachte die op 7 februari 2019 te Amsterdam een papieren zakdoek op straat heeft gegooid en achtergelaten zonder gebruik te maken van een afvalbak, in strijd met artikel 18 lid 1 van Pro de Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009. Het hof bevestigde het vonnis van de economische politierechter, maar legde geen straf of maatregel op.
De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, omdat het hof geen straf oplegde. De Hoge Raad onderzoekt of de overtreding van de Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009 kwalificeert als een overtreding van een gemeentelijke verordening in de zin van artikel 427 lid 3 Sv Pro, waardoor cassatieberoep toch openstaat.
De Hoge Raad stelt vast dat de overtreding van artikel 18 lid 1 van Pro de Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009 een economisch delict is en als overtreding is strafbaar gesteld. Omdat het een overtreding betreft van een gemeentelijke verordening, is het cassatieberoep ontvankelijk. Dit geldt ook ondanks dat de verordening is vastgesteld krachtens de Wet milieubeheer en strafbaar is gesteld in de Wet op de economische delicten.
De zaak wordt verwezen naar de rolzitting om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het cassatiemiddel. De Hoge Raad houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is ontvankelijk verklaard en de zaak wordt verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling.