AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad over oneerlijkheid van huurprijswijzigingsbeding met opslag boven indexatie
Deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad betreft de beoordeling van een huurprijswijzigingsbeding in de geliberaliseerde huursector, dat een jaarlijkse opslag van maximaal 3% bovenop een indexatie volgens de consumentenprijsindex (CPI) mogelijk maakt. In twee zaken tegen huursters stelde de rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen over de oneerlijkheid van dit opslagbeding op grond van Richtlijn 93/13/EEG.
De Hoge Raad beantwoordt de vragen door te oordelen dat het opslagbeding en het indexatiebeding inhoudelijk van elkaar te onderscheiden zijn en afzonderlijk getoetst moeten worden. Het opslagbeding is in beginsel niet oneerlijk omdat het een gerechtvaardigd belang van de verhuurder dient en de financiële gevolgen voor de huurder voorzienbaar zijn. Dit geldt behoudens bijkomende omstandigheden in individuele gevallen.
Indien het opslagbeding toch oneerlijk wordt bevonden, moet het buiten toepassing worden gelaten en dient de huurder recht te hebben op terugbetaling van onverschuldigde huurverhogingen. De rechter moet bij vorderingen tot betaling van huurachterstand ambtshalve de huurverhogingen op basis van het oneerlijke beding buiten beschouwing laten, maar mag niet ambtshalve verrekenen met vorderingen van de huurder. Ook moet de rechter bij ontbinding en ontruiming rekening houden met teveel betaalde huur. De Hoge Raad laat verdere vragen over verjaring en uitzonderingen onbeantwoord.
Uitkomst: Het opslagbeding in huurcontracten is in beginsel niet oneerlijk, maar moet bij oneerlijkheid buiten toepassing blijven met terugbetalingsplicht van onverschuldigde huurverhogingen.
Voetnoten
1.Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG 1993, L 95/29, zoals nadien gewijzigd.
6.Vgl. HvJEU 23 november 2023, zaak C-321/22, ECLI:EU:C:2023:911 (Provident Polska), punt 96.
7.Vgl. HvJEU 23 november 2023, zaak C-321/22, ECLI:EU:C:2023:911 (Provident Polska), punt 93. Vgl. in het kader van partiële vernietigbaarheid HvJEU 12 oktober 2023, zaak C-645/22, ECLI:EU:C:2023:774 (Luminor Bank), punt 31, HvJEU 3 oktober 2019, zaak C‑260/18, ECLI:EU:C:2019:819 (Dziubak), punt 39‑41, HvJEU 15 maart 2012, zaak C-453/10, ECLI:EU:C:2012:144 (Pereničová), punt 32 en HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2123, rov. 3.7.3. 8.Vgl. HvJEU 29 april 2021, zaak C-19/20, ECLI:EU:C:2021:341 (Bank BPH), punt 74 en HvJEU 7 augustus 2018, zaken C‑96/16 en C‑94/17, ECLI:EU:C:2018:643 (Banco Santander en Escobedo Cortés), punt 76-77.
9.Zie bijvoorbeeld HvJEU 17 mei 2022, zaak C-600/19, ECLI:EU:C:2022:394 (MA/Ibercaja Banco), punt 37 en HvJEU 17 mei 2022, zaken C-693/19 en C-831/19, ECLI:EU:C:2022:395 (SPV Project 1503 en Banco di Desio), punt 53.
10.Vgl. HvJEU 23 november 2023, zaak C-321/22, ECLI:EU:C:2023:911 (Provident Polska), punt 44.
11.Vgl. HvJEU 20 september 2017, zaak C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703 (Andriciuc/Banca Românească), punt 53-54.
12.Vgl. HvJEU 21 april 2016, zaak C-377/14, ECLI:EU:C:2016:283 (Radlinger/Finway), punt 95.
13.Vgl. HvJEU 26 april 2012, zaak C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 (Nemzeti/Invitel), punt 26.
14.Vgl. HvJEU 21 maart 2013, zaak C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (RWE Vertrieb), punt 53.
15.Vgl. HvJEU 21 maart 2013, zaak C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (RWE Vertrieb), punt 54.
16.Wet van 9 april 2021, Stb. 2021, 194.
17.Wet van 26 juni 2024, Stb. 2024, 193.
18.HvJEU 25 november 2020, zaak C-269/19, ECLI:EU:C:2020:954 (Banca B), punt 29.
19.HvJEU 15 juni 2023, zaak C-520/21, ECLI:EU:C:2023:478 (Bank M), punt 57, 58 en 61.