Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 december 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2022, waarin hij werd veroordeeld voor poging tot doodslag in 2017 in Rotterdam. De feiten betroffen het slaan met een tas met blikjes bier en het met de vuist slaan en stampen op het hoofd van het slachtoffer.
In cassatie is het beroep ingesteld door verdachte, vertegenwoordigd door zijn advocaat. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen over het beroep.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 3 december 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het hof ongewijzigd blijft.