Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
6 februari 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor meerdere feiten van verkoop, verstrekking en vervoer van cocaïne, in strijd met artikel 2.B van de Opiumwet. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld en daarbij onder meer bewijsuitsluiting van aangetroffen wikkels en opgenomen telefoonverkeer afgewezen. Daarnaast werd het verweer van de verdachte dat er sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim wegens het niet tijdig schriftelijk vastleggen van een mondelinge machtiging door de rechter-commissaris verworpen.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het kon oordelen dat de rechter-commissaris in redelijkheid kon verdenken op basis van artikel 126m lid 1 Sv, zonder dat het hof beschikte over het proces-verbaal waarop dat oordeel was gebaseerd. Ook voerde hij aan dat de observaties onrechtmatig waren omdat deze een te compleet beeld van zijn persoonlijke leven zouden hebben gegeven.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen. Het hof had voldoende gemotiveerd dat het oordeel van de rechter-commissaris redelijk was en dat het niet tijdig schriftelijk vastleggen van de machtiging geen onherstelbaar vormverzuim opleverde. Ook was het oordeel dat de observaties niet onrechtmatig waren, gegrond. De Hoge Raad zag geen reden om in deze zaak nadere motivering te geven en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor meervoudige verkoop en vervoer van cocaïne.