Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
10 december 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 10 december 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het medeplegen van het zonder vergunning uitvoeren van betaaldiensten, een economisch delict op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
Het hof Arnhem-Leeuwarden had vastgesteld dat verdachte in de bewezenverklaarde periode in Nederland woonde en met grote regelmaat contante geldtransacties verrichtte nabij zijn woning. Tevens werd vastgesteld dat hij geld en tokens bij zich thuis bewaarde, inclusief geldtelmachines en een administratie van transacties. Op basis hiervan oordeelde het hof dat het bedrijf van betaaldienstverlener een zetel in Nederland had, zoals vereist door artikel 2:3a lid 1 Wft.
Verdachte stelde in cassatie onder meer dat de bewezenverklaring niet inhield dat het bedrijf een zetel in Nederland had. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat de zetel van de onderneming wordt bepaald door de plaats waar de feitelijke werkzaamheden in overwegende mate worden uitgeoefend en aangestuurd. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de strafrechtelijke kwalificatie van medeplegen en het opzettelijk zonder vergunning uitvoeren van betaaldiensten, terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt, juist is.
De Hoge Raad stelde echter vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden en heeft daarom de opgelegde gevangenisstraf verminderd van achttien naar zeventien maanden. Het beroep van verdachte werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden, veroordeling voor medeplegen zonder vergunning blijft in stand.