Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
10 december 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor eendaadse samenloop van verkrachting (oud art. 242 Sr Pro) en mishandeling (art. 300 lid 1 Sr Pro). Het hof legde TBS met dwangverpleging op, mede vanwege een ziekelijke stoornis van geestvermogens ten tijde van het feit zoals bedoeld in art. 37a Sr.
De verdediging voerde onder meer aan dat de resultaten van DNA-onderzoek niet als bewijs mochten worden gebruikt (art. 359a Sv) en dat de oplegging van TBS onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof de motivering voldoende had gegeven.
Daarnaast werd een klacht over overschrijding van de redelijke termijn (art. 6 EVRM Pro) afgewezen omdat de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afhandelde, waardoor de overschrijding werd gecompenseerd.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof Amsterdam.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de oplegging van TBS met dwangverpleging voor de verdachte.