Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
10 december 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene. Het hof had het voordeel van €15.005 toegekend, waarvan €7.502 werd toegerekend aan de betrokkene vanwege medeplegen met meerdere daders.
De betrokkene stelde in cassatie dat het hof niet had mogen uitgaan van de toerekening van het voordeel aan één mededader. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat geen nadere motivering vereist is, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vastgesteld, doordat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond. De Hoge Raad achtte dit echter niet reden voor rechtsgevolgen in deze zaak, mede gezien een samenhangende strafzaak waarin compensatie kan worden beoordeeld.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het oordeel van het hof over de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene wegens medeplegen.