Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
17 december 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het geschil medeplegen en het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid waterpijptabak zonder betaling van accijns, in strijd met artikel 5.1B van de Wet op de accijns. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld. De Hoge Raad werd in cassatie gevraagd het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te beoordelen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte tegen het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering van dit oordeel te geven, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot vijf maanden en drie weken. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 17 december 2024.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.