Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 december 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vernietiging van een vaststellingsovereenkomst centraal, waarbij een echtgenoot zich beroept op de artikelen 1:88 en 1:89 van het Burgerlijk Wetboek. De procedure doorliep meerdere instanties, te weten de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam, waarbij het hof het beroep op vernietiging verwierp.
De eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om het arrest te vernietigen. De Hoge Raad verwees naar artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, waardoor geen uitgebreide motivering noodzakelijk was.
Het cassatieberoep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil werden begroot aan de zijde van de verweerder. De uitspraak werd gedaan door de civiele kamer van de Hoge Raad op 13 december 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.