Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 december 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond een geschil binnen een joint venture centraal waarbij voorlopige voorzieningen waren getroffen over uitlatingen die betrekking hadden op een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder en over het contact met contractuele wederpartijen van de joint venture.
De verzoekers hadden tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De verweerders verzochten het beroep te verwerpen. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verzoekers beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof.
De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat het niet ging om vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en werden de verzoekers veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, met een specificatie van de kosten aan de zijde van de verweerders. De uitspraak werd gedaan door de vicepresident en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoekers worden veroordeeld in de proceskosten.