In deze zaak stond de vraag centraal of de afspraken met kroongetuigen en hun verklaringen rechtmatig tot stand waren gekomen en of deze betrouwbaar waren, zodat ze als bewijs konden dienen. De verdachte was door het hof Amsterdam veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens medeplegen van uitlokking van moord, doodslag, zware mishandeling en deelneming aan een criminele organisatie in de periode 2002-2006.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte verworpen. Het hof had uitvoerig onderzocht of de kroongetuigenverklaringen betrouwbaar waren en of het recht op een eerlijk proces was gewaarborgd. Daarbij is rekening gehouden met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en is de verdediging in staat gesteld om de verklaringen kritisch te onderzoeken.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de afspraken in het kader van het getuigenbeschermingstraject geen vormverzuim opleveren en dat het gebruik van de verklaringen geen schending van het recht op een eerlijk proces inhoudt. Ook het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de kroongetuigen is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde levenslange gevangenisstraf. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bevestigd.