Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
4.Beslissing
13 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor vijf woninginbraken en tweemaal diefstal van geld met gestolen pinpassen. De Hoge Raad beoordeelde meerdere klachten over het bewijs, waaronder de waarde van het proces-verbaal van herkenning, de identiteit van de dader, het gebruik van werktuigensporenonderzoek en de verklaring van verdachte. Deze klachten werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 38 maanden naar 37 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 38 naar 37 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn.