Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 februari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond een geschil centraal over de erfdienstbaarheid en de vraag of sprake was van een ongeoorloofde belemmering en misbruik van bevoegdheid. De feiten en eerdere uitspraken van rechtbank en gerechtshof betroffen de uitleg en toepassing van bepalingen uit het goederenrecht, met name artikel 5:48 en Pro 5:79 BW, en de algemene beginselen zoals artikel 3:13 BW Pro over misbruik van bevoegdheid.
Eisers stelden dat verweerders de erfdienstbaarheid op onrechtmatige wijze belemmerden en dat dit misbruik van bevoegdheid opleverde. Het hof had deze klachten echter afgewezen, waarna eisers cassatieberoep instelden bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft de klachten van eisers beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht volgens artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eisers in de kosten van het geding in cassatie, inclusief verschotten en salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.