Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
13 februari 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak gaat het om een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake poging tot doodslag in 2018 in Breda. Verdachte zou naar aanleiding van een ruzie met een schop meerdere malen in de richting van het hoofd van zijn zwager hebben geslagen, hetgeen valt onder artikel 287 Sr Pro.
Het cassatieberoep werd door verdachte ingesteld, maar er zijn geen cassatiemiddelen ingediend door zijn advocaat binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. De Hoge Raad toetst daarom de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat niet is voldaan aan de verplichting tot het indienen van schriftelijke klachten.
Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer C.N. Dalebout op 13 februari 2024, in aanwezigheid van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.