Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
30 januari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 november 2022, waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag op zijn zus, zwager en hun minderjarige kinderen, vernieling van eigendommen, voorbereidingshandelingen voor grootschalige hennepteelt, bezit van een stroomstootwapen en hennep.
Het cassatieberoep werd ingesteld door verdachte en ondersteund door zijn advocaat. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kreeg de gelegenheid om advies uit te brengen. Na beoordeling van de klachten is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat het beroep duidelijk niet kan slagen.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 30 januari 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het hof in stand blijft.