Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
27 februari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over een beklag ex art. 552a Sv tegen een vordering op grond van art. 126nda Sv tot het verstrekken van camerabeelden door een rechtspersoon die een supermarkt exploiteert. De vordering was gericht aan de rechtspersoon, terwijl bestuurder/aandeelhouder en teamleider als verdachten van mishandeling waren aangemerkt.
De kernvraag betrof of de vordering terecht aan de rechtspersoon was gericht, nu deze als verdachte zou kunnen worden beschouwd omdat de gedragingen van de natuurlijke personen aan haar konden worden toegerekend. De rechtbank oordeelde dat de gedragingen niet in redelijkheid aan de rechtspersoon konden worden toegerekend en dat de vordering dus niet aan een verdachte was gedaan.
Daarnaast werd beoordeeld of de rechtspersoon een beroep kon doen op het verschoningsrecht op grond van art. 126nda.2 Sv jo. art. 96a.3.c en art. 219 Sv Pro. De Hoge Raad bevestigde dat ook een rechtspersoon of daarmee gelijk te stellen entiteit een dergelijk beroep kan doen, maar dat dit alleen geldt indien aannemelijk is dat het voldoen aan de vordering tot strafrechtelijke vervolging zou leiden.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de klaagster en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de vordering terecht aan de rechtspersoon was gericht en dat het verschoningsrecht niet van toepassing was omdat het gevaar van strafrechtelijke vervolging niet aannemelijk was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de vordering tot verstrekking van camerabeelden terecht aan de rechtspersoon is gericht en dat het verschoningsrecht niet van toepassing is.