Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 februari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte opzet had op het handelen en nalaten in strijd met een voorlopige maatregel ex artikel 28 van Pro de Wet milieubeheer (WED) betreffende het inzamelen en in ontvangst nemen van afvalstoffen.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had verdachte eerder veroordeeld wegens het overtreden van deze maatregel. Verdachte stelde in cassatie onder meer een bewijsklacht aan de orde, waarbij de Hoge Raad de klachten heeft beoordeeld.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de vragen, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 27 februari 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte wegens overtreding van de voorlopige maatregel inzake afvalstoffen.