Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
5 maart 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 maart 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontucht met zijn toen 13- en 15-jarige dochter, gepleegd in de periode van 1 juni 2001 tot en met 31 juli 2003. De verdachte betwistte onder meer de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en de kwalificatie van het feit onder artikel 248.2 Sr.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster heeft aangenomen en dat de kwalificatie van het feit niet ten onrechte is gesteld, ondanks dat de strafverzwarende omstandigheid van artikel 248.2 Sr pas vanaf 1 januari 2010 van kracht is.
Het cassatieberoep werd verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof en de opgelegde straf van 40 maanden gevangenisstraf.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, straf van 40 maanden gevangenisstraf bevestigd.