ECLI:NL:HR:2024:305

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
1 maart 2024
Zaaknummer
22/00833
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 245 SrArt. 248.2 SrArt. 359 lid 2 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in ontuchtzaak tegen minderjarige dochter

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 maart 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontucht met zijn toen 13- en 15-jarige dochter, gepleegd in de periode van 1 juni 2001 tot en met 31 juli 2003. De verdachte betwistte onder meer de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en de kwalificatie van het feit onder artikel 248.2 Sr.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster heeft aangenomen en dat de kwalificatie van het feit niet ten onrechte is gesteld, ondanks dat de strafverzwarende omstandigheid van artikel 248.2 Sr pas vanaf 1 januari 2010 van kracht is.

Het cassatieberoep werd verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof en de opgelegde straf van 40 maanden gevangenisstraf.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, straf van 40 maanden gevangenisstraf bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00833
Datum5 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 maart 2022, nummer 23-000478-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte en D.W.E. Sternfeld, advocaat in Amsterdam, hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 maart 2024.