ECLI:NL:HR:2024:307

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
1 maart 2024
Zaaknummer
23/00477
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 26 lid 1 WWM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep

De verdachte werd door het hof bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat hij geen schriftuur met grieven tegen het vonnis zou hebben ingediend en niet ter terechtzitting was verschenen. Het hof oordeelde dat de raadsvrouw van verdachte niet gemachtigd was om namens hem op te treden en zag geen reden tot inhoudelijke behandeling.

De Hoge Raad stelde vast dat bij de stukken een appelschriftuur was gevoegd die ruim een jaar vóór het ten laste gelegde feit door de griffie van de rechtbank was ontvangen. Deze schriftuur bevatte een akte van hoger beroep en grieven tegen het vonnis, ondertekend door de advocaat van verdachte die expliciet was gemachtigd.

Hierdoor was het oordeel van het hof dat geen schriftuur met grieven was ingediend niet begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en wees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en afdoening van het hoger beroep.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing van de ontvankelijkheid in hoger beroep en het respecteren van ingediende schrifturen, ook indien verdachte niet verschijnt of niet mondeling bezwaar maakt.

De Hoge Raad werd bijgestaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en sprak het arrest uit op 5 maart 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor nieuwe berechting wegens onjuiste niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00477
Datum5 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 januari 2023, nummer 22-000037-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.G. de Jong, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte door het hof in het hoger beroep.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte - bij verstek - niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe overwogen:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Hij is niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen en heeft zijn - wel verschenen - raadsvrouw niet gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren, zodat evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven.
Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
2.2.2
Bij de stukken bevindt zich een appelschriftuur waarop een barcodesticker is aangebracht. Blijkens de datumstempel rechtsboven op deze appelschriftuur is het stuk op 12 januari (de Hoge Raad begrijpt:) 2022 door de griffie van de rechtbank Rotterdam ontvangen. Dit stuk houdt in:
“Inzake: [verdachte] / OM HB
Uw kenmerk: 10-250354-21
Ons kenmerk: BdJ 22.002
Den Haag, 11 januari 2022
APPELSCHRIFTUUR
Edelachtbare Heer / Vrouwe,
Op 4 januari 2022 is namens cliënt, [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2002, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter van 21 december 2021. Bijgaand treft u een kopie aan van de akte instellen rechtsmiddel. Hiermede stel ik mij als raadsman van cliënt in de strafzaak in hoger beroep. Cliënt heeft mij uitdrukkelijk gemachtigd onderhavige appèlschriftuur in te dienen.
De grieven van cliënt tegen het vonnis van de Politierechter houden in dat cliënt stelt onschuldig te zijn aan het aan hem verweten feit. Ten onrechte heeft de Rechtbank geoordeeld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Evenmin is cliënt het eens met de hoogte van de hem opgelegde straf en de toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging.
Met vriendelijke groet,
[handtekening]
A.G. (Bram) de Jong
Advocaat
Bijlage: akte instellen hoger beroep”
2.3
Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat de verdachte mede daarom op de voet van artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet zonder meer begrijpelijk.
2.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 maart 2024.