ECLI:NL:HR:2024:312

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
23/01617
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 552a SvArt. 218 SvArt. 218a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken bevoegdheid tot verschoning bij beklag tegen beslag

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin het beklag van klager niet-ontvankelijk werd verklaard. Klager had een klaagschrift ingediend op grond van artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a Sv tegen een beslagbeschikking van de rechter-commissaris. De rechtbank oordeelde dat klager niet als persoon met bevoegdheid tot verschoning kon worden aangemerkt en verklaarde het beklag niet-ontvankelijk.

Het geschil draait om de vraag of klager, die niet tot de in artikel 98 lid 1 Sv Pro bedoelde groep behoort, toch beklag kan indienen tegen de beslagbeschikking. De Hoge Raad bevestigt dat artikel 98 lid 4 Sv Pro het indienen van een klaagschrift uitsluitend openstelt voor personen met bevoegdheid tot verschoning. Omdat klager niet aan deze voorwaarde voldoet, is het beklag niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad neemt het cassatieberoep niet in behandeling en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit oordeel volgt uit een strikte interpretatie van de wettelijke bepalingen omtrent het verschoningsrecht en de procedure bij beslag op (digitale) stukken en gegevens in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige fraude in de voedselketen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet bevoegd is tot verschoning en geen beklag kan indienen tegen de beslagbeschikking.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01617 Bv
Datum12 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, economische kamer, van 7 maart 2023, nummer RK 22/020736, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel en van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Namens de klager is op 16 september 2022 een klaagschrift ingediend op grond van artikel 98 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), gericht tegen een in artikel 98 lid 3 Sv Pro bedoelde beschikking van de rechter-commissaris. De rechtbank heeft dit beklag niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Procedure
- Op 29 januari 2021 is namens klager een klaagschrift ingediend ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Naar aanleiding daarvan heeft op 2 april 2021 een behandeling bij de meervoudige economische raadkamer plaatsgevonden. De raadkamer heeft de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het volgen van een procedure als bedoeld in artikel 98 Sv Pro en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
- Op 30 augustus 2022 heeft de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in artikel 98 Sv Pro genomen.
- Tegen deze beschikking heeft klager op 12 september 2022 een klaagschrift ingediend.
(...)
De ontvankelijkheid van het klaagschrift
(...)
Artikel 98, vierde lid, Sv bepaalt dat tegen de beschikking van de rechter-commissaris de persoon met bevoegdheid tot verschoning een klaagschrift kan indienen. De raadkamer constateert dat klager niet als zodanig kan worden gedefinieerd en dat hij derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 30 augustus 2022.
Dat de rechter-commissaris abusievelijk zijn beschikking ook aan klager heeft gericht, doet hieraan niet af.
De raadkamer komt gelet op het voorgaande niet toe aan de inhoudelijke bespreking van het klaagschrift.”
2.2
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
2.3
Artikel 98 Sv Pro luidt:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.
(...)
6. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort.
2.4
Mede naar aanleiding van een door de klager op grond van artikel 552a Sv ingediend klaagschrift, dat ziet op de inbeslagneming van een hoeveelheid (digitale) stukken en gegevens, heeft de beklagrechter die stukken en gegevens in handen gesteld van de rechter-commissaris voor het nemen van een beslissing als bedoeld in artikel 98 lid 3 Sv Pro. De rechter-commissaris heeft vervolgens een beschikking als bedoeld in artikel 98 lid 4 Sv Pro gewezen. Artikel 98 lid 4 Sv Pro stelt de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift tegen zo’n beschikking uitsluitend open voor de in artikel 98 lid 1 Sv Pro bedoelde personen met bevoegdheid tot verschoning. De rechtbank heeft vastgesteld dat de klager niet als zodanig kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft daarom terecht het beklag niet-ontvankelijk verklaard. Het cassatiemiddel is daarom tevergeefs voorgesteld. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.