Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
12 maart 2024.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep van een rechtspersoon (klaagster) tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant inzake een klaagschrift over beslaglegging op fysieke en digitale goederen in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op het verschoningsrecht van twee advocaten- en notarissenkantoren, omdat hierover reeds onherroepelijk is beslist in andere procedures. Wat betreft de teruggave van fysieke goederen bevestigt de Hoge Raad dat de rechtbank terecht heeft beslist dat deze goederen aan de redelijkerwijs rechthebbende moeten worden teruggegeven. De rechtbank heeft de gezamenlijke klagers aangeduid als één onderneming en niet vastgesteld dat derden rechthebbende zijn.
De Hoge Raad wijst erop dat het ontbreken van een concrete specificatie van welke goederen aan welke klager worden teruggegeven, geen grond is voor cassatie, mede omdat het gezamenlijke klaagschrift ongespecificeerd om teruggave aan de klagers verzoekt. Het beroep wordt daarom voor het overige verworpen. De beschikking is gegeven door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk voor het verschoningsrecht en beroep verworpen voor het overige met terugwijzing voor herbeoordeling teruggave fysieke goederen.