Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
12 maart 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klaagster, een onderneming, beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant. Deze beschikking betrof de toelaatbaarheid van beslag op digitale stukken en gegevens onder de onderneming in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige fraude in de voedselketen.
De kern van het geschil betrof de vraag of het verschoningsrecht van de klaagster voldoende was gewaarborgd door de schifting van de inbeslaggenomen stukken en gegevens onder leiding van de rechter-commissaris. De rechtbank had geoordeeld dat dit het geval was en het beroep van de klaagster verworpen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de klaagster eveneens verworpen. Het cassatiemiddel dat klaagde over het ontbreken van een voldoende onderzoek naar de waarborging van het verschoningsrecht faalt. De Hoge Raad verwijst daarbij naar de motivering in een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2024:314).
De beschikking is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, waarmee het beroep definitief is afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant blijft in stand.