Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:344

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
23/03569
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 414 RvArt. 224 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot zekerheidstelling proceskosten in cassatieprocedure tegen gemeente

In deze cassatieprocedure heeft de gemeente een incidentele vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten ingediend tegen de eiser tot cassatie, die tevens in het geding als verweerder optreedt. De gemeente baseerde haar vordering op het feit dat de eiser geen gewone woon- of verblijfplaats in Nederland zou hebben en dat verhaal van proceskosten mogelijk onzeker was.

De eiser stelde daartegen dat hij in onbezwaarde eigendom een perceel grond bezit binnen de gemeente, waardoor verhaal van de proceskosten redelijkerwijs mogelijk is. De Hoge Raad oordeelde dat de waarde van het perceel hoger is dan het gevorderde bedrag en dat zekerheid over verhaal niet vereist is. Daarom is het redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal in Nederland mogelijk is.

De Hoge Raad wees de vordering van de gemeente tot zekerheidstelling af en veroordeelde de gemeente tot betaling van de kosten van het incident. Tevens verwees de Hoge Raad de hoofdzaak naar een latere datum voor verdere behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten af en veroordeelt de gemeente in de kosten van het incident.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/03569
Datum8 maart 2024
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het incident,
hierna: [verweerder],
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
[de gemeente],
zetelend te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incident,
hierna: de Gemeente,
advocaat: M.A.M. Wagemakers.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/556424/HA ZA 18-780 van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018, 12 februari 2020, 1 april 2020, 17 juni 2020, 28 juli 2021 en 19 januari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.309.481/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 juni 2023.
Het hof heeft bij zijn arrest de Gemeente veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [verweerder], zij het tot een bedrag dat lager is dan het bedrag dat [verweerder] in dit geding vordert.
[verweerder] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Gemeente heeft een incidentele vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingediend.
[verweerder] heeft in het incident een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De Gemeente en [verweerder] hebben vervolgens nog gerepliceerd en gedupliceerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot afwijzing van de incidentele vordering van de Gemeente tot zekerheidstelling voor de proceskosten van het geding in cassatie.

2.Beoordeling van de incidentele vordering.

2.1
De Gemeente heeft in cassatie een incidentele vordering tot zekerheidstelling ingesteld op de voet van art. 414 Rv Pro in verbinding met art. 224 Rv Pro. De Gemeente vordert, samengevat, dat [verweerder] wordt veroordeeld tot zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding tot in totaal € 12.904,67, althans tot een door de Hoge Raad in goede justitie te bepalen bedrag. De Gemeente legt daaraan ten grondslag dat [verweerder] in [woonplaats] woont, dat hij geen gewone woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en dat hij in dit geding zowel de oorspronkelijk eiser als de eiser tot cassatie is. Aldus is aan de voorwaarden van art. 224 lid 1 Rv Pro en art. 414 leden Pro 2 en 3 Rv voldaan, zo voert de Gemeente aan.
2.2
[verweerder] heeft onder meer aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zal zijn, zoals bedoeld in art. 224 lid Pro 2, onder c, Rv. Hij heeft in onbezwaarde eigendom een perceel grond te [de gemeente], waarop de Gemeente verhaal zou kunnen nemen.
2.3
Dit verweer slaagt. De Gemeente heeft niet betwist dat [verweerder] het bedoelde perceel grond in onbezwaarde eigendom heeft. Op grond van de stukken van het geding zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.20 en 4.23, is voldoende aannemelijk dat de waarde van dit perceel hoger is dan € 12.904,67. Daarmee is redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding tot dat bedrag in Nederland mogelijk zal zijn. Dat er een kans bestaat dat het perceel wordt bezwaard of vervreemd, maakt dat niet anders. Zekerheid over de mogelijkheid van verhaal is immers niet vereist.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
in het incident:
- wijst de incidentele vordering af;
- veroordeelt de Gemeente in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 800,-- voor salaris;
in de hoofdzaak:
- verwijst de zaak naar 5 april 2024 voor indiening verweerschrift door de Gemeente.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
8 maart 2024.