ECLI:NL:HR:2024:382

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
21/05199
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197a SrArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak mensensmokkel koeltrailer

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over mensensmokkel waarbij 25 personen in een koeltrailer werden vervoerd naar Engeland. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof sprak hem schuldig uit. De verdediging voerde aan dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de personen in de koeltrailer.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel tegen de bewezenverklaring niet tot cassatie leidt, omdat het hof voldoende gemotiveerd heeft dat de verdachte wel degelijk wetenschap had van de aanwezigheid van de personen. Dit oordeel is in lijn met artikel 359 lid 2 Sv Pro en de conclusie van de advocaat-generaal.

Daarnaast stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien jaren naar negen jaren en tien maanden.

Het beroep wordt voor het overige verworpen en het arrest van het hof wordt vernietigd uitsluitend voor wat betreft de strafduur. De uitspraak is gewezen door de vice-president Borgers en raadsheren van Strien en Posthumus op 12 maart 2024.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot negen jaren en tien maanden wegens overschrijding redelijke termijn; bewezenverklaring omtrent wetenschap verdachte bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/05199
Datum12 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 december 2021, nummer 22-002052-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt onder meer op tegen de bewezenverklaring.
2.2
Het cassatiemiddel leidt in zoverre niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 tot en met 25.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.