Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 maart 2024.
Hoge Raad
De werknemer, met de Turkse nationaliteit, werkte sinds 2002 in een Amsterdamse pizzeria zonder geldige tewerkstellingsvergunning van de werkgever. Na een controle door de Inspectie SZW werd de werknemer op 18 april 2016 op staande voet ontslagen. De werknemer schakelde een advocaat in die een concept-dagvaarding opstelde, maar uiteindelijk geen procedure startte tegen de werkgever.
De werknemer vorderde in eerste aanleg een schadevergoeding wegens beroepsfout van de advocaat, omdat deze niet tijdig een verzoekschrift tot vernietiging van het ontslag had ingediend. De kantonrechter kende een deel van de gevorderde schade toe, maar het hof bekrachtigde dit vonnis en wees de hogere vorderingen af. Het hof oordeelde dat de advocaat wel een beroepsfout had gemaakt door het niet tijdig starten van de procedure, maar dat de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet was onderbouwd en dat de verwijzing naar de Wet arbeid vreemdelingen niet relevant was voor de duur van de loondoorbetalingsverplichting.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en wees de klachten van de werknemer af. De Hoge Raad stelde dat het hof geen motivering hoeft te geven voor zijn oordeel omdat het niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling. De Hoge Raad veroordeelde de werknemer tevens in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en de gevorderde schadevergoeding wegens achterstallig salaris wordt afgewezen.