ECLI:NL:HR:2024:407

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
23/02497
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.11 SvArt. 552a SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake beslag op goederen vennootschap na rechtshulpverzoeken VS

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager verworpen tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2023. De procedure betreft beklag op grond van artikel 5.1.11 juncto artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, waarbij beslag was gelegd op diverse goederen van een vennootschap die chemische producten vervaardigt, waar de klager werkzaam is en tevens eigenaar van is.

Het geschil draait om de afwijzing van het verzoek om verstrekking van de onderliggende rechtshulpverzoeken, die afkomstig zijn van Amerikaanse autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat verstrekking van deze verzoeken het belang van het onderzoek in de verzoekende staat ernstig zou schaden. De Hoge Raad bevestigde deze afwijzing en verklaarde het beklag ongegrond.

De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van de rechtbank nader toe te lichten, omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De beschikking werd uitgesproken door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, met raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, en de waarnemend griffier E. Schnetz, tijdens een openbare terechtzitting op 19 maart 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek om verstrekking van de onderliggende rechtshulpverzoeken wordt afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02497 Br
Datum19 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2023, nummer RK 23/005937, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.1.11 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de klager.

1.Verdere procesverloop in cassatie

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:91, het door de klager ingestelde cassatieberoep ontvankelijk verklaard en de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de cassatiemiddelen.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 maart 2024.