Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
26 maart 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klaagster beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023, waarin een klaagschrift over beslag op diverse voorwerpen werd behandeld. Het beslag was gelegd naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van Surinaamse autoriteiten.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de klaagster beoordeeld, waarbij de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Een schriftelijke reactie van de raadsman van de klaagster werd buiten beschouwing gelaten omdat deze na de wettelijke termijn was ingediend.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad acht het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De beschikking is uitgesproken door de vice-president M.J. Borgers, met raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, en de waarnemend griffier E. Schnetz, op 26 maart 2024 tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam.