ECLI:NL:HR:2024:498

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
26 maart 2024
Zaaknummer
21/05256
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a.1 Opiumwet (oud)Art. 11.3 OpiumwetArt. 11.4 OpiumwetArt. 11.5 OpiumwetArt. 5.2 Wet RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak deelname criminele organisatie hennepteelt

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 16 december 2021, waarin hij werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie gericht op bedrijfsmatige internationale hennepteelt en hennephandel.

De verdediging stelde onder meer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens een eerdere veroordeling voor een hennepfeit en dat er onvolkomenheden waren bij de beëdiging van één of meer raadsheren van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet hoefde te beslissen over het niet-ontvankelijkheidsverweer en dat de onvolkomenheid bij beëdiging geen verdere bespreking behoeft, verwijzend naar een eerder arrest.

Hoewel de redelijke termijn van het cassatieproces werd overschreden, achtte de Hoge Raad dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg, mede gezien de relatief lichte straf van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/05256
Datum2 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 december 2021, nummer 20-003713-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van één of meerdere van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal M.L.C.C. Lückers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en de taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 april 2024.