ECLI:NL:HR:2024:502

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
26 maart 2024
Zaaknummer
22/01318
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over feitelijke aanranding en redelijke termijn overschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep van een 57-jarige verdachte die werd veroordeeld voor feitelijke aanranding van een 19-jarig zwakbegaafd meisje bij haar woning. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte had geoordeeld over zijn opzet en dat het bewijs innerlijk tegenstrijdig was. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.

Daarnaast stelde de verdachte dat de redelijke termijn was overschreden omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad vond deze klacht gegrond maar achtte de straf van drie maanden, waarvan twee voorwaardelijk, zo gering dat geen ander rechtsgevolg aan de termijnoverschrijding werd verbonden.

Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, straf van drie maanden gevangenisstraf gehandhaafd ondanks termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01318
Datum9 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 maart 2022, nummer 20-000553-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 april 2024.